Voor de volgende opdracht heb ik zes gedichten besproken en er een bijpassende foto voor gezocht. Daarna moest ik ook uitleggen waarom ik specifiek dat gedicht heb gekozen en waarom ik de foto erbij vind passen. Er komt ook een kleine analyse aanbod.
Gedicht 1:
Andermans hond
Ik ging niet wandelen
met de hond,
de hond ging wandelen met mij.
Kijk, zei hij, zo doe je dat:
je snuffelt wat, je kruipt eens
onder groen, je doet daar wat je
daar moet doen, je kwispelt-
nee dat kun je niet- loopt achterna
wat vleugels heeft, je rolt je op je
ene zij, je andere zij, je ene zij,
je mond staat op de tocht, je zoekt
in woorden naar een geur, bij grenzen
naar vreemd vocht, hoort woest geroep
van groepen mens als blaffen aan,
verstaat alleen je naam
en Lig en Koest en Af.
de hond ging wandelen met mij.
Kijk, zei hij, zo doe je dat:
je snuffelt wat, je kruipt eens
onder groen, je doet daar wat je
daar moet doen, je kwispelt-
nee dat kun je niet- loopt achterna
wat vleugels heeft, je rolt je op je
ene zij, je andere zij, je ene zij,
je mond staat op de tocht, je zoekt
in woorden naar een geur, bij grenzen
naar vreemd vocht, hoort woest geroep
van groepen mens als blaffen aan,
verstaat alleen je naam
en Lig en Koest en Af.
Joke van Leeuwen
‘Andermans hond’
is een gekend gedicht. Het won verschillende prijzen waaronder de Herman de
Coninckprijs in 2007. Deze prijs win je niet zomaar. Het wil zeggen dat dit een
hoogstaand gedicht is en daarom koos ik het ook.
Dit gedicht wil vertellen dat een
hond een hond is en geen menselijke eigenschappen bevat. Wij als mensen denken
vaak dat honden ook als mensen denken, maar dat is niet zo. Honden zijn en
blijven dieren. Ze verstaan slechts een paar woorden. Ze begrijpen hun naam,
Lig, Koest en Af. Deze woorden zijn in het gedicht met een hoofdletter
geschreven, omdat deze woorden steeds krachtig worden uitgesproken door hun
baasje. Als bijpassende foto neem ik twee honden die aan het spelen zijn. Ik wil
hiermee aantonen dat wij als mensen niet met een stok in onze mond zouden
rondlopen, maar honden doen dit wel. We moeten accepteren dat honden geen
mensen zijn.
Gedicht 2:
Liggen in de zon
Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.
Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.
Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.
Hans Andreus
De warmte spreekt
in dit gedicht. De ik-figuur ligt te zonnen. Hij wil de zuidelijke sfeer
oproepen door het woord ‘pizzicato’ te gebruiken in de eerste regel. Hij wil
aantonen dat hij daar helemaal alleen ligt te zonnen door de vreemde woorden ‘monomaan’
en ‘monodwaas’ te gebruiken. Het woord
mono staat voor alleen. De dichter gebruikt vaak het woord ‘weer’. Dit slaat op
het feit dat hij er al vaker heeft gelegen. Met ‘in mijn huid’ bedoelt de
dichter met heel zijn lichaam, waarschijnlijk ligt hij daar in zijn blootje.
Hij ligt daar te liggen in het landschap, maar ik denk dat het niet de
bedoeling is dat hij daar is. Ik vermoed dat hij beter aan het werken zou zijn.
Deze persoon geniet van het leven
en daarom koos ik om een foto van het zuiden. Dit gedicht doet me denken aan
een vakantie in de Provence in Frankrijk wanneer je het gevoel hebt dat de zon
enkel op jou is gericht. Je geniet dan van het landschap en de eenzaamheid. Zulke
momenten zijn er om ze te koesteren.
70 jaar is pastoor Jos
70 jaar geleden
Op een dag in mei
Op een dag in mei
Ja, in Schaarbeek was men zeer blij
Als Jozef werd je er geboren
Apotheose na 9 maanden zwangerschap
Rustbrenger na 44 jaar priesterschap
Als Jozef werd je er geboren
Apotheose na 9 maanden zwangerschap
Rustbrenger na 44 jaar priesterschap
In Averbode kiemde je droom in de schaduw van de abdijtoren
Samen gemeenschap vormen in Jezus’ voetsporen
Samen gemeenschap vormen in Jezus’ voetsporen
Passievol prekende pacifist
Animerende motiverende herder van onze parochie
Stimulerende steuner van Wanakkam
Toerende toerist op de motor
Op en top overgave
Oase van oecumene
Respectverdienende redenaar
Animerende motiverende herder van onze parochie
Stimulerende steuner van Wanakkam
Toerende toerist op de motor
Op en top overgave
Oase van oecumene
Respectverdienende redenaar
Jubelt allen met ons mee
Oh Jos wij zijn tevree
Sjaloom 70 maal Sjaloom
Oh Jos wij zijn tevree
Sjaloom 70 maal Sjaloom
Yves Van Eeckhoudt
Dit gedicht is geschreven door
mijn papa. Het is misschien niet het meest hoogstaande gedicht, maar het is wel
geschreven vanuit zijn hart. Mijn ouders kenden de plaatselijke pastoor heel
goed. Bij zijn zeventigste verjaardag werd er een groot feest gehouden, want
hij ging tegelijkertijd met pensioen. Mijn papa stelde voor om een gedicht te
maken over zijn leven en hoe hij hem kende als persoon. Het was zijn aller
eerste gedicht en ik vind het mooi gedaan. In de laatste vers staat er
geschreven ‘Sjaloom 70 maal Sjaloom’. Het grote feest voor pastoor Jos werd
gehouden in het Sjaloomhuis van de oude abdij van Kortenberg. Dat is een klein
huisje dat als bijgebouw diende voor het grote klooster. Daarom neem ik een
foto van het Sjaloom in de abdij van Kortenberg. Sjaloom is ook een ander woord
voor vrede.
Dit gedicht is een acrostichon.
Dit wil zeggen dat als je de eerste letter van elke regel achter elkaar leest,
dat het dan een woord of zin vormt. In deze acrostichon is het ’70 jaar is
pastoor Jos’. Dit is tevens de titel van het gedicht. Mijn papa heeft ook voor
enkele alliteraties gezorgd zoals ‘stimulerende steuner’ en ‘toerende toerist’.
Gedicht 4:
‘Slaap maar,’ zeg ik
‘Slaap maar,’ zeg ik
tegen een dochter die allang slaapt
en daar wakker van wordt.
tegen een dochter die allang slaapt
en daar wakker van wordt.
Het onweert. Misschien wil ik wel
dat zij bang is, dan kan ik vader zijn.
Maar ik kan niets anders dan samen met haar
niets kunnen.
dat zij bang is, dan kan ik vader zijn.
Maar ik kan niets anders dan samen met haar
niets kunnen.
Zoals woorden. De dingen gebeuren.
zonder woorden zouden ze ook gebeuren.
Maar dan zonder woorden.
zonder woorden zouden ze ook gebeuren.
Maar dan zonder woorden.
Herman de Coninck
Herman de Coninck is een beroemde
Vlaamse dichter. De dichter beschrijft de typische situatie wanneer de ouders
nog eens kijken naar hun slapende kroost. Hierbij overpeinzen ze meestal of ze
wel goede ouders zijn. Het moment dat de dichter beschrijft, is het moment
wanneer het aan het onweren is. De vader zegt luidop ‘Slaap maar’ tegen zijn
slapende dochter. Ze wordt hiervan wakker. Hij is hier eigenlijk blij om, want
hij wil een vader zijn die zijn dochter troost, omdat ze bang is van het
donker. Maar hij is op zo’n moment hulpeloos, want hij kan hier zelfs niet aan
doen. Hij vergelijkt dit moment met woorden. Er gebeuren dingen in het leven en
we praten hierover. Maar of we er nu over praten of niet, ze gebeuren toch.
Ik neem een foto van een deur die
op een kier staat. Deze prent beschrijft de situatie wanneer de vader of de moeder
een kijkje neemt naar de slapende kroost. Ze proberen dit steeds op een
onopvallende manier te doen zodat de kinderen niet wakker worden. In dit
gedicht gebeurt dit wel. De dochter wordt wakker van haar vader, maar de vader
vindt dit helemaal niet erg. Nu kan hij haar troosten tegen het onweer.
Gedicht 5:
Een jongen in een stad
Een jongen
in een stad is klein. Zijn ogen
zijn zijn hele lijfje, groot van kijken,
als hij langs gouden uitstalramen loopt.
Daar komt de tram, verpletterend en schijnend.
zijn zijn hele lijfje, groot van kijken,
als hij langs gouden uitstalramen loopt.
Daar komt de tram, verpletterend en schijnend.
De jongen
loopt door straten in de avond.
Steeds groter wordt zijn kijken. Een stad woont
in zijn lijfje. Hij is bomen, winkels,
straten en geluiden. Zelfs de tram
rijdt tussen jagend hart en jonge lopen.
Steeds groter wordt zijn kijken. Een stad woont
in zijn lijfje. Hij is bomen, winkels,
straten en geluiden. Zelfs de tram
rijdt tussen jagend hart en jonge lopen.
Geert van
Istendael
Wanneer ik dit gedicht lees, zie ik een jongen voor me die voor de
eerste keer in een miljoenenstad komt. Hij is afkomstig van het platteland en
weet niet zo goed wat hij moet verwachten van zo’n grote stad. Wanneer hij in
het centrum aankomt, voelt hij zich klein. Het is niet zo dat hij letterlijk kleine
jongen is, maar hij voelt zich wel zo. Dit is ook normaal. In een miljoenenstad
voel je je altijd wel een beetje verloren. Er is zoveel te doen en er gebeuren veel
dingen om je heen. Er zijn ook vele gevaren zoals de tram. In de eerste strofe
is de jongen verwonderd door het hele gebeuren. In de tweede strofe is hij het
al gewoon geworden en is hij er van beginnen houden. Hij begint ervan te
genieten en hij heeft zelfs geen schrik meer van de tram.
Een foto die ik hierbij vind passen, is een foto van het bovenaanzicht
van New York in de Verenigde Staten. Ik vind de foto hierbij passen, omdat dit
een miljoenenstad is. Iedereen voelt
zich er wel eens verloren en alleen, maar het leven staat niet stil en er
blijven dingen gebeuren.
Gedicht 6:
Bermtoerisme
Drie mieren
tussen de verdorde gras-sprieten op weg
bijna aangereden
een gezin
stopt in de bermvader
moeder
mannetje van vier
ontdekken tussen de blikjes
een leuk plekje
wat mooi is het hier en voetbalt met een blikje
Maar moeder
klapt de stoelen uit
en tien
minuten later koffie almaar waar is Jan nu
verdwenen soms
in het donkere bos misschien?
Nee
spelend steekt hij een stokje
in een platgereden egel ernstig roerend
Ook hier de
behoeftes kleine en grote
te doen in
het boswaar het gonst van de vliegen en
een gaai vlammend verschiet
doet moe haar poepje terwijl
pa geniet van de snelheid
Straks weer
het asfalt
de witte
streep huiswaartsmaar nu nog volop genieten
met een zakmes gekerfd
in de boom waaronder gezeten
voluit hun namen
opdat wij het weten
J. Bernlef
In dit gedicht wordt er de situatie beschreven waarbij een gezin halt
houdt op een parking aan de snelweg om hun picknick op te eten. Er is de vader,
de moeder en het zoontje. Ze plaatsen zich tussen het vele vuil op de grond om
hun maaltijd op te eten. Ze proberen er van te genieten, maar dat is met
cynisme gezegd, vrees ik. Het is best ironisch dat je een leuk plekje zoekt
tussen de vieze blikjes.
Bronnen van gedichten:
VAN LEEUWEN, J. Wuif die mussen uit: Gedichten en beelden. Amsterdam, Querido, 2006.
VAN EECKHOUDT, Y. 70 jaar is pastoor Jos. Kortenberg, s.n., 2010.
Hans Andreus, www.poëzie-leestafel.info, laatst geraadpleegd op 01/11/2014.
Herman de Coninck, www.hermandeconinck.be, s.n., laatst geraadpleegd op 01/11/2014
Geert van Istendael, www.poëzie-leestafel.info, laatst geraadpleegd op 02/11/2014.
BERNLEF, J. Bermtoerisme. Amsterdam, Querido, 1968.
BERNLEF, J. Bermtoerisme. Amsterdam, Querido, 1968.
bronnen van afbeeldingen:
Honden, www.deoudemeester.nl, s.n., laatst geraadpleegd op 01/11/2014.
Abdij Kortenberg, www.home.scarlet.be, VANNOPPEN, H., laatst geraadpleegd op 01/11/2014.
Provence, www.issshiatsu.be, s.n., laatst geraadpleegd op 01/11/2014.
deur, www.noordholland.pvda.nl, s.n., laatst geraadpleegd op 01/11/2014.
New York, www.nypost.com, s.n., laatst geraadpleegd op 02/11/2014.
Verkeersbord, www.bol.com, s.n., laatst geraadpleegd op 02/11/2014.
Deze bronnen staan niet in alfabetische volgorde, maar in chronologische volgorde om zo het overzicht makkelijker te houden.






Geen opmerkingen:
Een reactie posten